![]() |
Bouwvoorschriften |
In Nederland bestaat een uitgebreid wettelijk stelsel van bouwregelgeving, op basis van de Woningwet (1990) en het Bouwbesluit (2001). Dit stelsel is erop gericht dat gebouwen met betrekking tot een aantal essentiële functies (constructieve veiligheid, energiezuinigheid, brandveiligheid, vochtwering, etc.) aan bepaalde voorwaarden voldoen. Er wordt bijvoorbeeld rekening gehouden met belasting door het eigen gewicht,
wind en meubilair. Ook moet rekening worden gehouden met de invloed van de grondwaterstand op de draagkracht van de fundering. In het Bouwbesluit is naar een aantal normbladen verwezen voor de eisen waaraan gebouwen moeten voldoen. Dit zijn de zogenaamde NEN-normen, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut te Delft. Volgens het Bouwbesluit hoeft een gebouw niet te worden ontworpen op bodemtrillingen die buiten het gebouw worden veroorzaakt. Aan de weerstand tegen aardbevingskrachten
en bodembewegingen worden dus geen eisen gesteld. Bij het ontwerp van de fundering van gebouwen
moet voor het verkrijgen van een bouwvergunning wel rekening gehouden worden met variaties in de grondwaterstand. In de praktijk zijn de Nederlandse gebouwen behoorlijk bestand tegen trillingen door aardbevingen, omdat de bouwconstructie wel andere belastingen moet weerstaan. In welke mate een
gebouw bestand is tegen trillingen en dynamische belastingen kan worden beoordeeld met SBR Richtlijn 1. Deze richtlijn is uitgegeven door de Stichting Bouwresearch te Rotterdam.
Samenvattend: voor het verkrijgen van een bouwvergunning hoeft dus geen controle te worden uitgevoerd
op de weerstand tegen trillingen door aardbevingen; het is geen wettelijke verplichting. Toch hebben de meeste Nederlandse gebouwen een behoorlijke weerstand tegen trillingen door aardbevingen.
Terug