De Mijnbouwwet

De winning van delfstoffen, zoals olie, gas en zout, is geregeld in de mijnbouwwet. De eerste mijnbouwwet, de Code Minier, werd opgesteld in 1810 en was tot 2003 de oudste nog geldende wet in Nederland. De wet omschreef de voorwaarden waaraan mijnbouwmaatschappijen moeten voldoen bij het verkrijgen van een vergunning (concessie) voor onderzoek (exploratie) en winning (exploitatie). Sinds januari 2003 is een nieuwe mijnbouwwet van kracht, die ook voorziet in toekomstig gebruik van de ondergrond. Omdat de ondergrond steeds intensiever gebruikt wordt - niet alleen om er grondstoffen uit te halen, maar ook om afval of schadelijke stoffen op te slaan en om aardwarmte te winnen - was het tijd voor een wetsaanpassing. De wet is zo opgesteld dat een overzichtelijk, veilig en duurzaam gebruik van de ondergrond wordt gestimuleerd en zo goed mogelijk gewaarborgd.

Vergunningen en concessies voor ondergrondse activiteiten worden verleend door de Minister van Economische Zaken. Staatstoezicht op de Mijnen ziet namens de overheid toe op de naleving van de mijnbouwwetgeving met betrekking tot veiligheid en milieu. De wet bepaalt ook dat gegevens die door olie- en mijnbouwmaatschappijen worden verzameld, toegankelijk worden gemaakt voor anderen: nieuwe gegevens over de ondergrond worden na 5 jaar openbaar gemaakt. Voor gegevens van voor 2003 geldt dat ze tien jaar na vergaring worden vrijgegeven. In de mijnbouwwet zijn ook de taken van de Technische Commissie Bodembeweging (Tcbb) uitvoerig geregeld.


Terug