 |
Magnitude en intensiteit |
Om de sterkte en de gevolgen van een aardbeving weer te geven zijn twee verschillende schalen in gebruik: de magnitudeschaal van Richter en de intensiteitsschaal van Mercalli. De schaal van Richter is een maat voor de kracht van de aardbeving zelf; de schaal van Mercalli richt zich op de gevolgen aan het aardoppervlak. De intensiteit van een beving is afhankelijk van de plaats van waarneming. Daarentegen is de magnitude volgens de schaal van Richter onafhankelijk van de plaats op aarde waar deze wordt berekend en dus karakteristiek voor de kracht van de aardbeving zelf. Zo heeft een krachtige aardbeving op grote diepte een relatief geringe intensiteit aan het aardoppervlak, echter wel verspreid over een groot gebied. Anderzijds kan een zwakke aardbeving een hoge intensiteit bereiken wanneer deze op geringe diepte plaatsvindt.
De magnitudeschaal van Charles Richter (1900 - 1985) is een maat voor de kracht en de verschuiving in het hypocentrum van de beving. Lichte bevingen hebben een magnitude van minder dan 4 op de Schaal van Richter. Matig sterke aardbevingen hebben een magnitude tussen 4 en 6, terwijl sterke aardbevingen een waarde van meer dan 6 hebben. De schaal is zo gedefinieerd dat een beving van magnitude 6 tien keer zo krachtig als is een beving van magnitude 5. De krachtigste aardbevingen die ooit zijn waargenomen hadden een magnitude van 9,5.
De intensiteit is het effect van een aardbeving op een locatie aan het aardoppervlak. De huidige schalen voor de intensiteit van aardbevingen berusten op een indeling die in 1902 is opgesteld door de Italiaan Giuseppe Mercalli (1850 - 1914). Deze classificatie van I tot XII beschrijft in welke mate een aardschok
door mensen wordt gevoeld en wat de effecten zijn op mensen, voorwerpen, gebouwen en landschap (Figuur 1). Een intensiteit I betekent niet gevoeld, intensiteit XII is buitengewoon catastrofaal en kan tot totale verwoesting van bouwwerken leiden.
De intensiteit hangt af van de magnitude van de beving, de afstand en de diepte tot het hypocentrum en van de gesteldheid van de bodem.
De intensiteit dichtbij een zwakke aardbevingsbron kan dus groter zijn dan de intensiteit ver van een sterke bron. Daarbij zijn de effecten van een slappe bodem zoals in Nederland heel anders dan die van een rotsbodem. Hoewel de geïnduceerde aardbevingen in Noord-Nederland licht zijn, worden ze toch gevoeld omdat het hypocentrum relatief ondiep ligt. De bevingen zijn meestal voelbaar vanaf magnitude 2 op de Schaal van Richter.
De trillingen zullen veelal niet langer dan een paar seconden duren. De oorspronkelijke schaal van Mercalli, houdt geen rekening met de manier van bouwen.
Deze factor is wel meegenomen in aangepaste schalen, zoals de Modified Mercalli (MM) intensiteitsschaal, die vooral
in Amerika wordt gehanteerd en de European Macroseismic Scale (EMS). De intensiteit van een aardbeving wordt via waarnemingen van schade en met behulp van enquêtes vastgesteld. Deze gegevens worden verwerkt in
een intensiteitskaart (Figuur 2). Op zo'n kaart worden gebieden van gelijke intensiteit begrensd door zogenaamde 'isoseisten' of onderscheiden door kleurcodes.

Figuur 2. Kaart waarop de intensiteit van een aardbeving bij Roswinkel is weergegeven Klik voor grotere weergave
|
 |