Zoutwinning
 |
Zoutwinning
|
In het oosten en noorden van het land wordt zout gewonnen. Dit bevindt zich tot enkele kilometers onder het aardoppervlak als lagen en als pijlers. Het zout wordt gewonnen door water te injecteren, waarin het oplost. De pekel die dan ontstaat, wordt opgepompt en tot zout ingedampt. In de ondergrondse zoutlagen ontstaan zo holle ruimtes (cavernes) waarboven bodemdaling kan plaatsvinden. Omdat de meeste cavernes niet erg breed zijn valt de bodemdaling mee. Lokaal kan de bodemdaling echter wel enige decimeters bedragen, vooral als de winning relatief ondiep plaatsvindt, zoals bij Hengelo (300-400 m diep).
Sinds 1995 wordt in Friesland zout gewonnen. Dit gebeurt op grote diepte (2800 m) waardoor de temperatuur en druk hoog zijn en zout zich gaat gedragen als een stroperige vloeistof. Het gevolg is dat het zout langzaam van de zijkanten de cavernes in gaat stromen waardoor bodemdaling aan het aardoppervlak optreedt. Hoewel de dalingssnelheid klein is, ongeveer 2 cm per jaar, zijn de effecten op het laaggelegen polderland groot. Er is bijvoorbeeld meer energie nodig om de polders droog te houden, wat kostbaar is. Als zoutwinning gedurende een tiental jaren wordt voortgezet kan er lokaal een totale daling optreden van 30-40 cm, wat vergelijkbaar is met de daling ten gevolge van aardgaswinning uit het Groningen veld.
Terug naar Geologie
Terug naar Geotechniek